Er rolden tranen dit weekend. Een aantal onderhandelaars die deel uitmaken van het zogenaamde Durban Platform (ADP) zijn al sinds 2011 bezig met het ontwikkelen van een nieuwe verdragstekst. Toen dit weekend de onderhandelingtekst werd goedgekeurd, betekende het dat de ministers het stokje over konden nemen. Vier jaar werk in het Durban Platform zat erop. Sommige onderhandelaars pinkten een traantje weg.
De afgelopen dagen raakten de onderhandelingen in een stroomversnelling. Goedkeuring van de onderhandelingstekst ging verrassend soepel. Dit kwam onder andere doordat de nieuwe tekst die nu de basis voor onderhandelingen vormt nog vrijwel alle punten van discussie volledig openlaat. Enkel overbodige tekstvoorstellen zoals “geen tekst” zijn geschrapt.
Niemand werd dus tegen de schenen getrapt. Elke land heeft zijn troetelkindjes er nog instaan. Dat betekent dat alles nog volledig openligt. Het enige voordeel hiervan is dat ook alle opties voor een zo sterk mogelijk verdrag nog op tafel liggen.
In het verleden lagen voornamelijk onderhandelaars dwars als ze minder vertrouwen hadden in de bekwaamheid van hun minister. Zij maakten dan bezwaar tegen het overdragen van de bevoegdheid naar ministerieel niveau omdat ze vanaf dat moment de tekst niet meer rechtstreeks konden beïnvloeden. Als een minister dingen te gemakkelijk weggeeft, kan dat niet meer teruggedraaid worden.
Iedereen mag meedoen
Waarom is deze zorg er nu minder? Niemand hoeft bang te zijn dat besluiten in achterkamertjes tot stand komen. Frankrijk heeft een Comité de Paris in het leven geroepen. Alle delegaties komen eens per dag bij elkaar. In dit comité zullen alle belangrijke onderwerpen besproken worden. Enkel daar zullen definitieve beslissingen genomen worden. Dit kan echter alleen een tussenoplossing zijn. Uiteindelijk moeten er deals gesloten worden tussen de grote machtsblokken.
Het Franse voorzitterschap heeft daarnaast vier ministeriële werkgroepen gecreëerd.
- De eerste groep richt zich op de onderdelen in de tekst die betrekking hebben op means of implementation, ofwel die het mogelijk maken dat armere landen dat wat wordt afgesproken ook kunnen uitvoeren. Het gaat dan om internationale klimaatfinanciering, het uitwisselen van technologie en capacity building.
- De tweede groep is verantwoordelijk voor alle onderdelen die te maken hebben met de ambities in het nieuwe verdrag. Belangrijkste ambitie is het terugdringen de CO2-uitstoot, maar ook de ambitie om onder 1,5 graad opwarming te blijven, wordt in deze groep besproken.
- De derde groep richt zich op het verdelen van de verantwoordelijkheid tussen landen met uiteenlopend ontwikkelingsniveau, ook wel differentiatie genoemd.
- De laatste groep onderhandelt over het opschalen van de ambitie tussen nu en 2020, de vijf jaar tussen nu en het moment dat het verdrag in werking treed mogen immers niet verloren gaan.
Deze ministeriële werkgroepen koppelen vervolgens weer terug naar het Comité de Paris.
Nu de compromissen nog
Het proces mag dan vlot verlopen, dat wil nog niet zeggen dat we dichter bij oplossingen voor de hoofdpijndossiers komen. Klimaatfinanciering blijft de het grootste probleem. De Europese Unie zette een stap in de goede richting door aan te geven dat ze bereid zijn de jaarlijkse honderd miljard die vanaf 2020 jaarlijks moet worden overgemaakt naar ontwikkelingslanden als ondergrens te beschouwen die geleidelijk opgeschroefd zal worden.
Daartegenover stelt de EU wel dat er meer donors bij moeten komen. Elk land dat de economische capaciteit heeft om bij te dragen moet mee gaan doen. Geen onredelijke eis. De EU kan echter meer doen. Als het gaat om transparantie en om berichtgeving rondom emissiereducties stellen we hoge eisen. Echter, zodra ontwikkelingslanden hetzelfde aan ons vragen op het gebied van financiering, geven we niet thuis.
Als de EU die starheid loslaat zou het weleens kunnen zijn dat naast het proces ook de inhoud van het nieuwe verdrag in een stroomversnelling komt.